Miljoenen stukjes van het groenste gras

Ik hamster mooie woorden en zinnen. Twee recente literaire oases waren het verslavende, in één dreun geschreven ‘A million little pieces’ van James Frey, over hoe hij ‘the fury’ met alcohol, cocaïne, crack, pillen, paddo’s, PCP en lijm te lijf gaat en daarvan afkickte in de prestigieuze ontwenningskliniek Hazelden in Minnesota (toen ik dit las, viel ik achterover. De wereld op z’n kop!) en (ademhaal) het min of meer okeëe ‘Groener gras’ van Annelies Verbeke, een boek dat zich laat lezen als een ode aan de strijd tussen winnen en verliezen (en als je zelf niet kan winnen, kan je altijd nog anderen laten verliezen). Hieronder een graai uit Verbekes pretpot. Lekker uit de context gerukt, maar net daarom des te mooier.

Etienne transformeerde elke dag meer in wat de wereld in hem zag of het werd de wereld elke dag duidelijker waarin Etienne was getransformeerd: de som van pech en passiviteit.

Hij geloofde niet in geesten en postume conversaties. Hij geloofde enkel in gemis.

Wie altijd zoekend voorwaarts streeft, mag op verlossing hopen – Goethe (en het ziet er inderdaad naar uit dat die verlossing met betrekking tot de bestrijding van de huisstofmijt nabij is)

Zijn geest bezat de onthutsende kwaliteit zich te zuiveren van alle gebeurtenissen en uitspraken die voor haar van grote betekenis waren. Van alles wat zij in dagdromen op de muren van belangrijke gebouwen bleef kalligraferen. Zijn zin ‘Niemand heeft ooit zo veel voor mij betekend’ beschreef de hele rechtervleugel van de Santa Maria Maggiore. ‘Waarom hebben wij elkaar niet eerder ontmoet?’ stond over de zeezijde van het operagebouw in Sydney. ‘s Nachts werden de woorden ‘Zo’n lekker lijf’ op de Eiffeltoren verlicht. Aan ‘Wil je met me trouwen?’ – subtiel verwerkt onder de hoofdkoepel van de Taj Mahal – had ze tussen haakjes een eigen bedenking toegevoegd: (enigszins lachend, toch gemeend)

Ze probeerde een ontsnappende traan op te zuigen met haar oogbol. Het lukte niet.

Als Andy Vrijmoedt dacht aan hoeveel mensen hem om zijn geluk haatten, werd hij weleens neerslachtig. Geen allesoverheersende duisternis kwelde hem dan, dat lag niet in zijn aard. Het was eerder een onbestemde weemoed die bezit van hem nam en die hem soms tijdelijk paralyseerde. Op die zeldzame momenten droeg hij een badmuts. Dat had hij als kind al gedaan wanneer zijn gedachten te hardnekkig tegen de binnenkant van zijn hoofd drukten. (…) Hij viel anderen niet graag lastig met wat hem tijdelijk ontstemde. De badmuts die zijn hoofd omklemde, was net bedoeld om wat fout zat binnen te houden. Om tegendruk te bieden van buitenaf. Tot de weemoedige golf na een uurtje oploste als gelatine in warm water. Dan kon de badmuts weer af en werd de wereld even mooi als tevoren.

Toch kon ze nu pas met oogverblindende helderheid onderscheiden hoeveel er tot stilstand was gekomen. Hoeveel langzaam verlies bruusk was onthuld.

Het verpletterende geluk stalde voor hem uit wat hij hoe dan ook zou verliezen.

Hij gaat bij het raam staan en kriebelt de zon tevoorschijn: ‘Kom, kom, kom.’ De zon struikelt van achter een wolk vandaan. Toeval?

Omdat ze precies tegelijk op het beige lederen bankstel plaatsnemen en simultaan maar in spiegelbeeld hun ene been over het andere draperen, nestelt het verleden zich met gemak tussen hen in.

Uit ‘Groener gras’ – Annelies Verbeke

This is were we live

.. the charms of print

This Is Where We Live from 4th Estate on Vimeo.

Amusing ourselves to death

In his famous ‘Amusing Ourselves to Death‘, written in pre-internet times (1985), Neil Postman wrote down his fascinating fear that reality might be reflected more by Aldous Huxley’s Brave New World, where the public is oppressed by pleasure, than George Orwell’s 1984, where the public is oppressed by pain. In the Orwellian vision of the future, totalitarian governments seize individual rights, while in Brave New World, people medicate themselves into bliss and voluntarily sacrifice their rights.

Shortly put, Postman thinks that mankind surrenders its rights in exchange for entertainment (television). He says that a particular medium can only sustain a particular level of ideas, and that television (in 1985, up to you to decide if that’s still – or even more – the case today) cannot sustain any of the conditions needed for honest intellectual involvement and rational argument, since everything gets diluted on TV.

He gives a striking example: the first fifteen U.S. presidents could probably have walked down the street without being recognized by the average citizen, yet all these men would have been quickly known by their written words. The reverse is true today. The names of presidents call up visual images, typically television images, but few, if any, words come to mind. The few that do almost exclusively consist of carefully-chosen soundbites.

Sounds intriguing but still a little vague? Look at this nice cartoon by Stuart McMillen (2009) (his site is now and then temporary unavailable, sorry for that..)



Source: Wikipedia
and Stuart McMillen

Inzoomen met Ilja

Ter ere van gedichtendag 2009, lanceerde Klara.be een website waarop dapper gestreden wordt tegen clichés over dichters en dichten. Via tekst, archiefmateriaal en interviews testten we de houdbaarheid van de hardnekkigste clichés. Een paar weken lang ondergedompeld worden in de poëzie, hieronder lees je hoe dat proefde en voelde.

Lang geleden verwachtte men van dichters dat zij op tochtige rommelzolders de aller-individueelste expressies van hun aller-individueelste emoties uit de zolderplanken stampten. Dichters waren weg van de wereld, die ze enkel via een popperig dakkapelletje in de verte zagen bewegen. Ze hielden zich niet bezig met aardse beslommeringen. Waarmee ze hun lichte hoofden wel vulden, waren vage en nauwelijks omlijnde ideeën. Dichters waren zwevers, zwerfkatten, zwelgers.

Nu de poëzie zich heeft ontworsteld van dit romantische ideaal en de planken en plein public eerder worden bestampt door blitse dichters, zou je denken dat de clichés volledig neergedwarreld zijn in het stof. Niets is minder waar. Clichés blijven het dichtersvolk terroriseren. Gedichten zijn onbegrijpelijk. Dichters zijn huilebalken. Gedichten moeten rijmen. Gedichten mogen niet rijmen. Dichters hebben succes bij vrouwen. Gedichten moet je gedrukt zien. Poëzie en politiek gaan niet samen. Dichters zijn diepzinnig.

Hoog tijd dus voor wat contraterreur. En met wat de clichés beter bestrijden dan met de snedige gedachten van de man met het meest sexy dichtersbrein der lage landen, Ilja Leonard Pfeijffer.

Ilja Leonard Pfeijffer words (illustratie: Gini Rose Choupay)

Deze Nederlandse graecus is een notoir krijger in de strijd tegen poëzieclichés. Ik zocht hem op in Leiden, waar hij van op zijn zolderetage de wereld verblijdt met klotsende dichtbundels, felle poëzierecensies en een handvol romans. Na handjes schudden en een shot koffie, kiezen we een rustige plek uit voor het gesprek, met zicht op de wereld. Eerste cliché:

Dichters zijn dronkenlappen

Ok, inzoomen Ilja. De lijst van laveloze poëten is inderdaad eindeloos. Maar wat ligt er onder het bierviltje? Dichters doen iets waar niemand echt op zit te wachten, ze zoeken iets in de uithoeken van de taal waar het meestal leeg is, totdat hun verbeelding er op stoot. Dat heeft iets excessiefs. Het bewustzijn aanlengen met drank en drugs, lijkt de zoektocht iets draaglijker te maken.


Gedichten bevatten diepzinnige gedachten

In zijn bundel ‘Het geheim van het vermoorde geneuzel – Een poëtica (2003)’, met essays over poëzie, gaat hij hier dieper op in.

“Diepzinnigheid doodt elk gedicht. Een goed gedicht stelt vragen en slaat je alle antwoorden uit handen. Een gedicht dat een antwoord wil bieden, kan nimmer een gedicht zijn. Als een gedicht valt samen te vatten als een idee, een filosofietje, een gedachte of een structuur, dan is het geen goed gedicht. Het gaat, kortom, niet om het inzicht, het gaat om de storm.”


Gedichten zijn nutteloos


Gedichten gaan over persoonlijke gevoelens

In het essay ‘De mythe van het spontane meisje’, trekt Pfeijffer hard van leer tegen de autobiografiemanie die alle beetje BV’s en BN’s stevig in zijn greep heeft.

“Wat autobiografisch is, is zogezegd echt, en wat echt is is goed. Het authentieke is tegenwoordig de enige toetssteen voor literaire kwaliteit, en dat is bullshit. Het gaat er niet om of iets echt gebeurd is, het gaat erom hoe je het opschrijft. Een klakkeloze weergave van de realiteit levert een oninteressant gedicht op. Je moet de werkelijkheid manipuleren. Je moet haar zo maken zoals zij het beste is voor het gedicht. Alleen mag de lezer nooit merken hoeveel manjaren je in je gedicht hebt geïnvesteerd. Hij moet blijven geloven dat het authentiek en echt is, en dat het door een engel is gedicteerd”.

Nog zo’n mooie:

“Poëzie is geen kroniek, maar een blauwdruk van het ongedroomde. Zij boekstaaft niet onze kleine wereld, maar creëert een nieuwe, waaraan hetzelfde blijft haperen. Zij levert geen feiten, noch ideeën, maar vermoedens die tot ideeën zouden kunnen leiden als de sleutel niet zoek zou zijn” (geïnspireerd op M.Merleau-Ponty, La prose du monde, 1969)


Gedichten zijn onbegrijpelijk

Bij het lezen van een gedicht moet je, met andere woorden, je analytische hoofd dat wil snappen hoe het zit, afschroeven. Poëzie lezen is een vorm van vermoeden. Dat maakt poëzie ook zo spannend en waardevol, aldus Pfeijffer. Meer hierover vind je in zijn essay ‘De mythe van de verstaanbaarheid’.

“Het is niet erg als je een gedicht niet begrijpt. Integendeel. Begrip kan het gedicht zelfs verpesten. Of, beter gezegd, lexicaal begrip kan het werkelijk begrip in de weg zitten. Dit brengt ons tot de kern van de zaak. Er zijn verschillende soorten van begrijpen. De tegenstelling tussen verstaanbare en ontoegankelijke poëzie impliceert geen tegenstelling tussen begrip en onbegrip, maar tussen het huis-tuin-en-keuken begrijpen van ons dagelijks leven en een andere vorm van begrijpen.

Verstaanbare poëzie kun je lezen zoals je de gebruiksaanwijzing voor een wasmachine leest. Zogenaamd ontoegankelijke poëzie wordt volledig verstaanbaar zodra je op een andere manier leert lezen. Je moet je laten meevoeren door de magische logica van taal, klank en ritme langs een pandemonium van beelden en emoties. Je moet afleren je zorgen te maken over de oplossing van het cryptogram. Het gedicht is taal, beeld en muziek; er is geen sprake van een betekenis die buiten het gedicht ligt en die er door de dichter op een sadistische manier in is verstopt.

(…) Een gedichtje dat je in één keer helemaal snapt, waarna je het volgende gedichtje kunt lezen, dat je ook weer in één keer kunt begrijpen, doet je niets omdat je doet wat je altijd al doet. Zulke hapklare poëzie is gewoon hetzelfde als zappen”.

De overtuigingskracht van Pfeijffers betoog is natuurlijk voor een deel te wijten aan de formulering van zijn argumenten. Ad rem, spitant, met goed getimede ironie als kers op de taart. Heerlijk vloeiend vuig portamento. Hij is een graecus, after all.

Interessant is dat je zijn redenering zou kunnen doortrekken naar het terrein van de beeldende kunst. Hoe kijken naar kunst is iets wat filosofen en kunsthistorici al eeuwenlang bezig houdt. Vervang in bovenstaande paragrafen ‘poëzie’ door ‘kunst’ en ‘gedicht’ door ‘kunstwerk’, en je zit op een boeiend spoor.

Voer voor een nieuw onderwijsconcept, bovendien.

Ilja Leonard Pfeijffer wordt hier en daar hartgrondig gehaat, of minstens blauw beërgerd. Omwille van zijn uitdagende blik, zijn ‘kom maar op, ik ben gek op duels’, zijn vervaarlijk wapperende haren, zijn schijnbare immuniteit voor frustraties, zijn intelligentie. Hij haalt gevestigde waarden als Harry Mulisch en Rutger Kopland grinnikend onderuit, maar geen krabbekat die inziet dat hij het allemaal niet zo genadeloos bedoelt. Sterker nog, Pfeijffer is de gemoedelijkheid zelve. Uit zijn ‘omarmen van strijdmakkers’ klinkt genegenheid. Pfeijffer kraakt andere dichters niet willekeurig af omdat hij een pesterig jongetje is dat zonodig wil opvallen (kwade conculega’s schilderen hem graag zo af), hij speelt een spel (met een serieuze inzet, dat wel). Maar het is uit liefde. Uit liefde voor een potje stevige neuronale catch-as-catch-can, uit liefde voor de poëzie.

En verder: Gedichten moet je gedrukt zien. Dichters weten zelf niet wat ze zeggen. Dichters hebben meer succes bij vrouwen. Gedichten moeten ontroeren. Poëzie is onvertaalbaar. De beste dichters zijn mannen. Dichters kennen niets van sport. Poëzie en politiek gaan niet samen. Het is barbaars om na Auschwitz een gedicht te schrijven. Dichten is 100% inspiratie. Vroeger was er meer respect voor dichters. Dichters zijn gevoeliger. Dichters zijn wereldvreemd. Poëzie moet je zien op papier. Gedichten moeten ontroeren.

En nog veel meer, op Klara.be

Hunter S. Thompson Threegirls G.J.S.

Hello, we are threegirls and this is our mission statement! Over.

First of all, we would like to welcome you with a lot of appetizers, bubbles, festoons and one of our favorite pictures: ‘Agar and Sandy, Big Sur’ (1961). The American iconoclast Hunter S. Thompson is the man behind the camera. Why favorite? First of all, therefore. Secondly: summer, loyalty, witticism, freedom, honeyed love, and a lot of views.

Hunter S. Thumpson is mostly known for his novel ‘Fear and Loathing in Las Vegas’ (a savage journey to the heart of the American Dream), and for his sharp Rolling Stone magazine articles. He was a bit too anger-driven, paranoid and acerbic to be our hero, but nevertheless a very intriguing nutcase.

H.S.T. is the godfather of Gonzo journalism, ‘a style of reporting where reporters involve themselves in the action to such a degree that they become central figures of their stories’. To be clear, this is not the main aim of threegirls. We will try not to focus on ourselves too much, but rather on the world around us. We like to go outside (mostly with sunglasses, that is).

Nevertheless, there are some similarities between H.S.T. and threegirls’s mission. The visceral honesty, the blend of fact and fantasy, the self-styled mixture of news, opinion and personal experiences. You certainly may regard Hunter S. Thompson as the forerunner of modern day ‘ogging (vlog blog whatever). We also admire his tireless battle against hypocrisy and his contempt for authority, but we don’t want to shoot every convention cantankerously like he did. That’s too hippie.

We are also a bit smarter than H.S.T.! His great thirst for all the world’s whiskey, drug use and everlasting love for firearms turned the sharp-tongued smoking social critic with aviator glasses into a cartoon character – literally and figurative. We, threegirls, are already cartoon characters before we even started! Ha! If that isn’t the ultimate anticipation in history of humankind, we don’t know what is.

Anyway.

From now on we’ll post drawings, photos, video and text every now and then, when we feel like it. We don’t plan to become a victim of the web. This is not a blog, or a vlog, or a trough, but a wedon’tknowyethowoften-monthly kinda thing tings.

Dutch is our mother tongue, but we’ll often write in English. Yes, we admit, this is a rather impure language habit, but it is not our fault (determinism has saved us many times before). We mix up languages because we were raised like that, going from place to place. We also like languages too much, so we want to use them all, so maybe we are a bit greedy too. Voila.

And on a bright sunny day, we will get rid of that ennoying catholic sense of guilt reflex as well.

To conclude, why are we doing this?
We don’t have a clue.

Talk to you soon.
Gini, Julia, Suzy

Info