Een paar weken geleden sprak Threegirls met la gazelle Hannelore Knuts en haar vrienden Tim Vanhamel, Philip Metten en Eva De Leener. Op vraag van Hannelore, die de ELLE/april vorm gaf naar aanleiding van haar tentoonstelling UltraMegaLore in het Hasseltse Modemuseum. Het werd een fijne avond daar in Borgerhout, vol schone woorden gedrenkt in Limburgs geknetter, pintjes en gin-t.
De extra ogen en oren van Hannelore / ELLE april 2010
Ze stond voor de lens van topfotografen en liep modeshows voor de allergrootsten. Hannelore Knuts was jarenlang topmodel, maar dat deed ze niet alleen. Er was muziek voor haar dagelijkse dosis vibes. Er was kunst voor extra zuurstof. En er waren vrienden voor die broodnodige komma in haar jachtige leven. Hannelore is de eerste om te benadrukken hoe belangrijk haar vrienden zijn. ‘Zij hebben me gemaakt tot wie ik ben.’ Haar compagnons de route zijn het kunstenaarskoppel Philip Metten en Eva De Leener, en muzikale brazielnoot Tim Vanhamel. Vier verwante zielen vol bevlogenheid en bravoure. Ze zijn elkaars afgoden en grootste critici.
De koning van het Hanneloredom is met voorsprong Tim Vanhamel. Hij dook op rond haar zestiende, en is sindsdien nooit meer weggegaan. Hannelore: ‘Tim en ik zijn exen, maar best buddies in life. Hij is de beste roller coaster ride die je je kan inbeelden. Het gaat alle kanten uit met hem: overkop, traag naar boven en dan weer supersnel naar beneden. En op het einde wil je nog eens.’ Tim: ‘Allright! Ik wil hier niet te melig worden, maar Hannelore is iemand die altijd zal blijven. Ik ben de eerste die ze belt als haar vliegtuig landt, en omgekeerd. We hebben een half woord nodig om elkaar te begrijpen, of het nu over kunst, mode of muziek gaat. Ik supporter haar door dik en dun, ik sta voor Hannelore.’
(…)
Meer zie ELLE april!
En ja ook Threegirls krijgt blefarospasmische aanvallen van het woord duizendpoot (intro). Dat moest brazielnoot zijn! Of pepernoot of pekkanoot. Eindredactie… Shoot.
Na het interview trokken we op fotoreportage.
Ook warrior Kendell Geers is bevriend met Hannelore. Tijdens een lunch in januari hadden we het over ‘The art of being a muse’, speciaal voor de UltraMegaLore catalogus, uitgegeven door Ludion, vormgegeven door BaseDesign.
The art of being a muse / A conversation between Hannelore Knuts and Kendell Geers
Before you get lost in her head, you have got to know this. Hannelore likes flamenco, indulges herself in yellow every morning at six, and loves riding her sea horses straight into the love Bermuda. Or not. It doesnʼt matter. A muse is beyond facts, what counts are the flames. So donʼt get nervous if you lose ground while walking around in Hannelore, just enjoy the vigour of her muse-being. That is what some famous others have done before too. Fashion icons like Jean Paul Gaultier, Haider Ackermann and Azzedine Alaïa, they all called Hannelore their muse. When artist Kendell Geers – who is sitting in front of her during this conversation – draws her attention to that fact, she gets a bit shy. “I didnʼt plan to become a muse, I donʼt know why I am a muse, I just am who I am and do what I do.”
And then Kendell makes her even more shy. “Hannelore has a very interesting individuality in terms of how she presents herself. She works in the ultimate of male fantasy – although it gets more complicated with all those gay men running around – but manages to stay feminine without losing herself in clichés. She is super-sexy and super-beautiful, but with no need to play the fantasy, nor to pretend to be anything except for what she is. And that makes her so strong. In a way, people like Hannelore – and there are few in the industry – make fashion respectable for me. Still I think the big picture of fashion is empty bullshit, representing everything which is disgusting about capitalism. I have an extreme love-hate relationship with fashion.”
The first time Hannelore and Kendell met, a cornucopia of talking marked the first hours. Followed by an exchange of phone numbers, and some hazy plans to – one day – ʻdoʼ something together. Hannelore describes his energy as pure, honest and “even though his art is a constant this (air boxing in his face), it is not about the shock. He just wants to make you conscious. He has got the poetry (waves in the air) and the common sense (points at the floor). And while you are still busy looking up and down, he already got you there, right in the middle. Wham! And then there is a really good heart too, I immediately felt that. See, Iʼm not afraid of you!” Kendell – smiling back – for his part is utterly fascinated by the idea of the muse, “which in a way is what your exhibition is about. I even think that being a muse is the key to what you represent, and the key to what I as an artist am looking for.”
(…)
Meer zie catalogus!
Hannelore all over dus. En voor de bleekgrijze sceptici: Hannelore is een superfijne gazelle. Très à l’aise Blaise en nog meer cool Raoul. Tsjin!
Ter ere van gedichtendag 2009, lanceerde Klara.be een website waarop dapper gestreden wordt tegen clichés over dichters en dichten. Via tekst, archiefmateriaal en interviews testten we de houdbaarheid van de hardnekkigste clichés. Een paar weken lang ondergedompeld worden in de poëzie, hieronder lees je hoe dat proefde en voelde.
Lang geleden verwachtte men van dichters dat zij op tochtige rommelzolders de aller-individueelste expressies van hun aller-individueelste emoties uit de zolderplanken stampten. Dichters waren weg van de wereld, die ze enkel via een popperig dakkapelletje in de verte zagen bewegen. Ze hielden zich niet bezig met aardse beslommeringen. Waarmee ze hun lichte hoofden wel vulden, waren vage en nauwelijks omlijnde ideeën. Dichters waren zwevers, zwerfkatten, zwelgers.
Nu de poëzie zich heeft ontworsteld van dit romantische ideaal en de planken en plein public eerder worden bestampt door blitse dichters, zou je denken dat de clichés volledig neergedwarreld zijn in het stof. Niets is minder waar. Clichés blijven het dichtersvolk terroriseren. Gedichten zijn onbegrijpelijk. Dichters zijn huilebalken. Gedichten moeten rijmen. Gedichten mogen niet rijmen. Dichters hebben succes bij vrouwen. Gedichten moet je gedrukt zien. Poëzie en politiek gaan niet samen. Dichters zijn diepzinnig.
Hoog tijd dus voor wat contraterreur. En met wat de clichés beter bestrijden dan met de snedige gedachten van de man met het meest sexy dichtersbrein der lage landen, Ilja Leonard Pfeijffer.
(illustratie: Gini Rose Choupay)
Deze Nederlandse graecus is een notoir krijger in de strijd tegen poëzieclichés. Ik zocht hem op in Leiden, waar hij van op zijn zolderetage de wereld verblijdt met klotsende dichtbundels, felle poëzierecensies en een handvol romans. Na handjes schudden en een shot koffie, kiezen we een rustige plek uit voor het gesprek, met zicht op de wereld. Eerste cliché:
Dichters zijn dronkenlappen
Ok, inzoomen Ilja. De lijst van laveloze poëten is inderdaad eindeloos. Maar wat ligt er onder het bierviltje? Dichters doen iets waar niemand echt op zit te wachten, ze zoeken iets in de uithoeken van de taal waar het meestal leeg is, totdat hun verbeelding er op stoot. Dat heeft iets excessiefs. Het bewustzijn aanlengen met drank en drugs, lijkt de zoektocht iets draaglijker te maken.
Gedichten bevatten diepzinnige gedachten
In zijn bundel ‘Het geheim van het vermoorde geneuzel – Een poëtica (2003)’, met essays over poëzie, gaat hij hier dieper op in.
“Diepzinnigheid doodt elk gedicht. Een goed gedicht stelt vragen en slaat je alle antwoorden uit handen. Een gedicht dat een antwoord wil bieden, kan nimmer een gedicht zijn. Als een gedicht valt samen te vatten als een idee, een filosofietje, een gedachte of een structuur, dan is het geen goed gedicht. Het gaat, kortom, niet om het inzicht, het gaat om de storm.”
Gedichten zijn nutteloos
Gedichten gaan over persoonlijke gevoelens
In het essay ‘De mythe van het spontane meisje’, trekt Pfeijffer hard van leer tegen de autobiografiemanie die alle beetje BV’s en BN’s stevig in zijn greep heeft.
“Wat autobiografisch is, is zogezegd echt, en wat echt is is goed. Het authentieke is tegenwoordig de enige toetssteen voor literaire kwaliteit, en dat is bullshit. Het gaat er niet om of iets echt gebeurd is, het gaat erom hoe je het opschrijft. Een klakkeloze weergave van de realiteit levert een oninteressant gedicht op. Je moet de werkelijkheid manipuleren. Je moet haar zo maken zoals zij het beste is voor het gedicht. Alleen mag de lezer nooit merken hoeveel manjaren je in je gedicht hebt geïnvesteerd. Hij moet blijven geloven dat het authentiek en echt is, en dat het door een engel is gedicteerd”.
Nog zo’n mooie:
“Poëzie is geen kroniek, maar een blauwdruk van het ongedroomde. Zij boekstaaft niet onze kleine wereld, maar creëert een nieuwe, waaraan hetzelfde blijft haperen. Zij levert geen feiten, noch ideeën, maar vermoedens die tot ideeën zouden kunnen leiden als de sleutel niet zoek zou zijn” (geïnspireerd op M.Merleau-Ponty, La prose du monde, 1969)
Gedichten zijn onbegrijpelijk
Bij het lezen van een gedicht moet je, met andere woorden, je analytische hoofd dat wil snappen hoe het zit, afschroeven. Poëzie lezen is een vorm van vermoeden. Dat maakt poëzie ook zo spannend en waardevol, aldus Pfeijffer. Meer hierover vind je in zijn essay ‘De mythe van de verstaanbaarheid’.
“Het is niet erg als je een gedicht niet begrijpt. Integendeel. Begrip kan het gedicht zelfs verpesten. Of, beter gezegd, lexicaal begrip kan het werkelijk begrip in de weg zitten. Dit brengt ons tot de kern van de zaak. Er zijn verschillende soorten van begrijpen. De tegenstelling tussen verstaanbare en ontoegankelijke poëzie impliceert geen tegenstelling tussen begrip en onbegrip, maar tussen het huis-tuin-en-keuken begrijpen van ons dagelijks leven en een andere vorm van begrijpen.
Verstaanbare poëzie kun je lezen zoals je de gebruiksaanwijzing voor een wasmachine leest. Zogenaamd ontoegankelijke poëzie wordt volledig verstaanbaar zodra je op een andere manier leert lezen. Je moet je laten meevoeren door de magische logica van taal, klank en ritme langs een pandemonium van beelden en emoties. Je moet afleren je zorgen te maken over de oplossing van het cryptogram. Het gedicht is taal, beeld en muziek; er is geen sprake van een betekenis die buiten het gedicht ligt en die er door de dichter op een sadistische manier in is verstopt.
(…) Een gedichtje dat je in één keer helemaal snapt, waarna je het volgende gedichtje kunt lezen, dat je ook weer in één keer kunt begrijpen, doet je niets omdat je doet wat je altijd al doet. Zulke hapklare poëzie is gewoon hetzelfde als zappen”.
De overtuigingskracht van Pfeijffers betoog is natuurlijk voor een deel te wijten aan de formulering van zijn argumenten. Ad rem, spitant, met goed getimede ironie als kers op de taart. Heerlijk vloeiend vuig portamento. Hij is een graecus, after all.
Interessant is dat je zijn redenering zou kunnen doortrekken naar het terrein van de beeldende kunst. Hoe kijken naar kunst is iets wat filosofen en kunsthistorici al eeuwenlang bezig houdt. Vervang in bovenstaande paragrafen ‘poëzie’ door ‘kunst’ en ‘gedicht’ door ‘kunstwerk’, en je zit op een boeiend spoor.
Voer voor een nieuw onderwijsconcept, bovendien.
Ilja Leonard Pfeijffer wordt hier en daar hartgrondig gehaat, of minstens blauw beërgerd. Omwille van zijn uitdagende blik, zijn ‘kom maar op, ik ben gek op duels’, zijn vervaarlijk wapperende haren, zijn schijnbare immuniteit voor frustraties, zijn intelligentie. Hij haalt gevestigde waarden als Harry Mulisch en Rutger Kopland grinnikend onderuit, maar geen krabbekat die inziet dat hij het allemaal niet zo genadeloos bedoelt. Sterker nog, Pfeijffer is de gemoedelijkheid zelve. Uit zijn ‘omarmen van strijdmakkers’ klinkt genegenheid. Pfeijffer kraakt andere dichters niet willekeurig af omdat hij een pesterig jongetje is dat zonodig wil opvallen (kwade conculega’s schilderen hem graag zo af), hij speelt een spel (met een serieuze inzet, dat wel). Maar het is uit liefde. Uit liefde voor een potje stevige neuronale catch-as-catch-can, uit liefde voor de poëzie.
En verder: Gedichten moet je gedrukt zien. Dichters weten zelf niet wat ze zeggen. Dichters hebben meer succes bij vrouwen. Gedichten moeten ontroeren. Poëzie is onvertaalbaar. De beste dichters zijn mannen. Dichters kennen niets van sport. Poëzie en politiek gaan niet samen. Het is barbaars om na Auschwitz een gedicht te schrijven. Dichten is 100% inspiratie. Vroeger was er meer respect voor dichters. Dichters zijn gevoeliger. Dichters zijn wereldvreemd. Poëzie moet je zien op papier. Gedichten moeten ontroeren.
En nog veel meer, op Klara.be
Portrait of Dan Perjovschi – Suzy C.
Dan Perjovschi grew up in red Romania, and that marks a human being for life. Often his drawings are a criticism on himself, on his country, and on all the smelly stuff Western, Eastern, capitalistic, democratic, dictatorial and other human civilizations leave lying around. Luckily, his cartoons are never cynical. Dan Perjovschi observes with empathy, not with anger.
He reminds me a bit of David Shrigley, although Shrigley’s cartoons are more poetic and less political. But the two have their unconstrained humoristic intelligence in common. During the Kunstenfestivaldesarts 08 in Brussels (april 2008), Dan Perjovschi drew on the walls of art centre Wiels.
I went to Wiels and had a nice chat with the charming Romanian warrior. What he told me..
“I am not interested in scandals, like the Mohammed cartoons. Sometimes, I even don’t touch some issues. I had to deal part of my life with censorship and I am used to tango around the limits. Here in Europe, I don’t care, it’s free expression here. But in Russia I asked what the problems were. They told me I could do whatever, except for touching ‘Orthodox church’. In that case, I try to find a different way to say things which aren’t allow to say.”
“I think an artist needs to have this responsability. It’s so easy to be an artist, you just throw the thing out and then ‘done’. That’s not my way, and maybe I have got this reflex because in Romania I’m working for the press, so I am always conscious about my brains going to somebody.”
“I don’t rate myself as a political artist, I’m an interpreter. I don’t do necessary judgements, like ‘this is good and this is wrong’. I just observe somehow. You could call my work ‘intellectual’ cartoons.”
“I criticize the market a lot, but I’m not against it. I do not believe that you can be a real radical critic if you’re out of the system. You have to see it from the inside.”
(This reminds me of the great ‘Yes men’)
“I’m coming from a certain context, surviving a switch of ideologies, so I can put a lot of critisism on myself and take some distance, even to myself. And humour is very important to me, with humour you can detach, you can use it as a distance to look at things. I think I learnt to use humour during my school period in Romania – which was a total disaster for me, mentally – but unconsciously the humour helped to detach from it, i guess”.
“My cartoons give me a platform. It is like a natural stage for me, this is it, living. And I am still very amazed that people invite me to do this, visualizing the world. And I enjoy it a lot, it is total freedom to me.”
Want to know more? Watch here..
Suzy C.
PS: I swapped drawings with Dan, he got the portrait, threegirls received a nice art gallery-bashing cartoon