We already had an inkling here and there, but now it has been fully proven: male primitive drives are to blame for the current financial crisis. A study published on the economic site ‘vox‘ explains three reasons why bad boy bankers behaved so badly. The most tragicomic one, is that too many male bankers are too high on testosterone, which makes them too reckless. Taking risks year after year, makes them addicted to the feeling of taking a risk, and succeeding (like killing that damn obstinate mammoth) which triggers the rise in testosterone levels significantly. Although the bankers’ brains often know that the decisions being taken are useless, they prefer listening to their primitive souls. Also, men operating in the financial markets have too much self-confidence. That’s necessary to survive and succeed in that branche, you would think. But their self-confidence is irrational, often much higher than what is rationally explainable. So we have to get rid of the assumption that market economy is based on rationalism. It’s rather based on ‘Me Tarzan, you Jane’.
Sources: Welingelichte kringen, Vox.
+
+ evergreen (Feist & Gonzales at Trash, London 2006)
+ a new rough & tough eels
+ eels meets sonic youth: joe gideon & the shark
While scanning some rare records from my fathers’ R&B collection, something caught my eye. This lady is chewing on something and it’s definitely not an ordinary bubble gum. An extra fashionable golden tooth? A pearl? An old-school Godiva? Or were ladies paid in nuggets in those days? None but question marks question marks..
Oh yes and besides getting to know the roots of all the music ever made, scanning sleeves of old records also gives me a lot of graphic design inspiration. Like these nice rare Orange London rec sleeves of Eddie Cochran singles. Eddie Cochran is the godfather of stars like Elvis Presley. Bow bow for Eddie!
Last Thursday, I went to Paris to see the autumn/winter show of AF Vandevorst. It was magical. On Fever Ray’s enigmatic sound, the husky deers strided before our eyes. Totally AF style. These were my favorites.
The next day, I cut my hair like Tao! Tao was the coolest.

O o and what do I read here (29/03/2009)? Tao is one of the hottest models in town. Because of. Her haircuuuutttt.
In troubled times, the value of money takes a crash dive. Those slick financial penguins haven’t carried it so far yet that we have to push wheelbarrows full of cash to the bakery to buy a pistolet, but I wouldn’t sleep on both ears yet. Just take a look at both World Wars, not that long ago. With the German economy in tatters after World War One, money was virtually worthless. Cities, towns and even businesses had to issue their own currency. The general term of this inflationary currency was ‘Notgeld’, German for “Emergency Money”. It was not legal, but rather a mutually-accepted means of payment in local shops (in order to avoid wheelbarrow tableaus).
But here comes the nice thing – a crisis always has a bright side – Notgeld substantially fired the imagination among the German population. Everything was used to pay with: coins, leather, silk, linen, even aluminium foil, coil, porcelain and playing cards! And the designs were (mostly) created by anonymous commercial artists and local printers. They even wrote mini messages on the notes.



And much more here.
Sources: Designobserver, Wikipedia and flickr
Ter ere van gedichtendag 2009, lanceerde Klara.be een website waarop dapper gestreden wordt tegen clichés over dichters en dichten. Via tekst, archiefmateriaal en interviews testten we de houdbaarheid van de hardnekkigste clichés. Een paar weken lang ondergedompeld worden in de poëzie, hieronder lees je hoe dat proefde en voelde.
Lang geleden verwachtte men van dichters dat zij op tochtige rommelzolders de aller-individueelste expressies van hun aller-individueelste emoties uit de zolderplanken stampten. Dichters waren weg van de wereld, die ze enkel via een popperig dakkapelletje in de verte zagen bewegen. Ze hielden zich niet bezig met aardse beslommeringen. Waarmee ze hun lichte hoofden wel vulden, waren vage en nauwelijks omlijnde ideeën. Dichters waren zwevers, zwerfkatten, zwelgers.
Nu de poëzie zich heeft ontworsteld van dit romantische ideaal en de planken en plein public eerder worden bestampt door blitse dichters, zou je denken dat de clichés volledig neergedwarreld zijn in het stof. Niets is minder waar. Clichés blijven het dichtersvolk terroriseren. Gedichten zijn onbegrijpelijk. Dichters zijn huilebalken. Gedichten moeten rijmen. Gedichten mogen niet rijmen. Dichters hebben succes bij vrouwen. Gedichten moet je gedrukt zien. Poëzie en politiek gaan niet samen. Dichters zijn diepzinnig.
Hoog tijd dus voor wat contraterreur. En met wat de clichés beter bestrijden dan met de snedige gedachten van de man met het meest sexy dichtersbrein der lage landen, Ilja Leonard Pfeijffer.
(illustratie: Gini Rose Choupay)
Deze Nederlandse graecus is een notoir krijger in de strijd tegen poëzieclichés. Ik zocht hem op in Leiden, waar hij van op zijn zolderetage de wereld verblijdt met klotsende dichtbundels, felle poëzierecensies en een handvol romans. Na handjes schudden en een shot koffie, kiezen we een rustige plek uit voor het gesprek, met zicht op de wereld. Eerste cliché:
Dichters zijn dronkenlappen
Ok, inzoomen Ilja. De lijst van laveloze poëten is inderdaad eindeloos. Maar wat ligt er onder het bierviltje? Dichters doen iets waar niemand echt op zit te wachten, ze zoeken iets in de uithoeken van de taal waar het meestal leeg is, totdat hun verbeelding er op stoot. Dat heeft iets excessiefs. Het bewustzijn aanlengen met drank en drugs, lijkt de zoektocht iets draaglijker te maken.
Gedichten bevatten diepzinnige gedachten
In zijn bundel ‘Het geheim van het vermoorde geneuzel – Een poëtica (2003)’, met essays over poëzie, gaat hij hier dieper op in.
“Diepzinnigheid doodt elk gedicht. Een goed gedicht stelt vragen en slaat je alle antwoorden uit handen. Een gedicht dat een antwoord wil bieden, kan nimmer een gedicht zijn. Als een gedicht valt samen te vatten als een idee, een filosofietje, een gedachte of een structuur, dan is het geen goed gedicht. Het gaat, kortom, niet om het inzicht, het gaat om de storm.”
Gedichten zijn nutteloos
Gedichten gaan over persoonlijke gevoelens
In het essay ‘De mythe van het spontane meisje’, trekt Pfeijffer hard van leer tegen de autobiografiemanie die alle beetje BV’s en BN’s stevig in zijn greep heeft.
“Wat autobiografisch is, is zogezegd echt, en wat echt is is goed. Het authentieke is tegenwoordig de enige toetssteen voor literaire kwaliteit, en dat is bullshit. Het gaat er niet om of iets echt gebeurd is, het gaat erom hoe je het opschrijft. Een klakkeloze weergave van de realiteit levert een oninteressant gedicht op. Je moet de werkelijkheid manipuleren. Je moet haar zo maken zoals zij het beste is voor het gedicht. Alleen mag de lezer nooit merken hoeveel manjaren je in je gedicht hebt geïnvesteerd. Hij moet blijven geloven dat het authentiek en echt is, en dat het door een engel is gedicteerd”.
Nog zo’n mooie:
“Poëzie is geen kroniek, maar een blauwdruk van het ongedroomde. Zij boekstaaft niet onze kleine wereld, maar creëert een nieuwe, waaraan hetzelfde blijft haperen. Zij levert geen feiten, noch ideeën, maar vermoedens die tot ideeën zouden kunnen leiden als de sleutel niet zoek zou zijn” (geïnspireerd op M.Merleau-Ponty, La prose du monde, 1969)
Gedichten zijn onbegrijpelijk
Bij het lezen van een gedicht moet je, met andere woorden, je analytische hoofd dat wil snappen hoe het zit, afschroeven. Poëzie lezen is een vorm van vermoeden. Dat maakt poëzie ook zo spannend en waardevol, aldus Pfeijffer. Meer hierover vind je in zijn essay ‘De mythe van de verstaanbaarheid’.
“Het is niet erg als je een gedicht niet begrijpt. Integendeel. Begrip kan het gedicht zelfs verpesten. Of, beter gezegd, lexicaal begrip kan het werkelijk begrip in de weg zitten. Dit brengt ons tot de kern van de zaak. Er zijn verschillende soorten van begrijpen. De tegenstelling tussen verstaanbare en ontoegankelijke poëzie impliceert geen tegenstelling tussen begrip en onbegrip, maar tussen het huis-tuin-en-keuken begrijpen van ons dagelijks leven en een andere vorm van begrijpen.
Verstaanbare poëzie kun je lezen zoals je de gebruiksaanwijzing voor een wasmachine leest. Zogenaamd ontoegankelijke poëzie wordt volledig verstaanbaar zodra je op een andere manier leert lezen. Je moet je laten meevoeren door de magische logica van taal, klank en ritme langs een pandemonium van beelden en emoties. Je moet afleren je zorgen te maken over de oplossing van het cryptogram. Het gedicht is taal, beeld en muziek; er is geen sprake van een betekenis die buiten het gedicht ligt en die er door de dichter op een sadistische manier in is verstopt.
(…) Een gedichtje dat je in één keer helemaal snapt, waarna je het volgende gedichtje kunt lezen, dat je ook weer in één keer kunt begrijpen, doet je niets omdat je doet wat je altijd al doet. Zulke hapklare poëzie is gewoon hetzelfde als zappen”.
De overtuigingskracht van Pfeijffers betoog is natuurlijk voor een deel te wijten aan de formulering van zijn argumenten. Ad rem, spitant, met goed getimede ironie als kers op de taart. Heerlijk vloeiend vuig portamento. Hij is een graecus, after all.
Interessant is dat je zijn redenering zou kunnen doortrekken naar het terrein van de beeldende kunst. Hoe kijken naar kunst is iets wat filosofen en kunsthistorici al eeuwenlang bezig houdt. Vervang in bovenstaande paragrafen ‘poëzie’ door ‘kunst’ en ‘gedicht’ door ‘kunstwerk’, en je zit op een boeiend spoor.
Voer voor een nieuw onderwijsconcept, bovendien.
Ilja Leonard Pfeijffer wordt hier en daar hartgrondig gehaat, of minstens blauw beërgerd. Omwille van zijn uitdagende blik, zijn ‘kom maar op, ik ben gek op duels’, zijn vervaarlijk wapperende haren, zijn schijnbare immuniteit voor frustraties, zijn intelligentie. Hij haalt gevestigde waarden als Harry Mulisch en Rutger Kopland grinnikend onderuit, maar geen krabbekat die inziet dat hij het allemaal niet zo genadeloos bedoelt. Sterker nog, Pfeijffer is de gemoedelijkheid zelve. Uit zijn ‘omarmen van strijdmakkers’ klinkt genegenheid. Pfeijffer kraakt andere dichters niet willekeurig af omdat hij een pesterig jongetje is dat zonodig wil opvallen (kwade conculega’s schilderen hem graag zo af), hij speelt een spel (met een serieuze inzet, dat wel). Maar het is uit liefde. Uit liefde voor een potje stevige neuronale catch-as-catch-can, uit liefde voor de poëzie.
En verder: Gedichten moet je gedrukt zien. Dichters weten zelf niet wat ze zeggen. Dichters hebben meer succes bij vrouwen. Gedichten moeten ontroeren. Poëzie is onvertaalbaar. De beste dichters zijn mannen. Dichters kennen niets van sport. Poëzie en politiek gaan niet samen. Het is barbaars om na Auschwitz een gedicht te schrijven. Dichten is 100% inspiratie. Vroeger was er meer respect voor dichters. Dichters zijn gevoeliger. Dichters zijn wereldvreemd. Poëzie moet je zien op papier. Gedichten moeten ontroeren.
En nog veel meer, op Klara.be
Eergisteren woonde ik in Brussel een lezing bij van twee grafisch ontwerpers. De ene lezing was bezield, aandoenlijk en ontwapenend (Kim Hiorthoy), de andere bedompt en oeverloos saai (Luc Derycke). Groter kon het contrast niet zijn.
Wat Kim Hiorthoy betreft zal ik kort zijn. Al wat goed is, heeft niet veel uitleg nodig. De man is geboren in Noorwegen, woont in Berlijn, en is naast grafisch ontwerper ook illustrator, regisseur en muzikant/dj. De dj-sets die hij uit zijn tengere polsen schudt, zijn het summum van hoe techno moet zijn. Driftig, lief en opruiend tegelijk. Daarnaast is hij vooral bekend om zijn platenhoezen voor de Noorse band Motorpsycho, en zijn mooie werk voor de platenlabels Rune Grammofon en Smalltown Supersound.
Over het werk van Luc Derycke spreek ik me niet uit, daar ging het ook niet over tijdens zijn lezing. Waarover het dan wel ging? Moeilijk te zeggen. Moeizaam strompelde Derycke doorheen de epistemologie der beeldvorming, klampte zich aarzelend vast aan armoedige metataal, en sprak zichzelf dan ook nog eens continu tegen. Kortom, hij zocht het waar hij het niet zoeken moest. En vond bijgevolg, helemaal niets.
En zelfs àls Luc Derycke iets te zeggen had gehad, dan nog had hij dat uit respect voor zijn publiek beter in een essay neergepend. Waar men niet over kàn spreken, daar moet men over zwijgen, zou Wittgenstein hem luid in de oren getoeterd hebben. Dat durfde ik niet, ik ben dan ook geen illuster filosoof, maar wat had ik het graag gedaan.
Iets minder onschuldig, en erg relevant voor onze maatschappij, en ook een voorbeeld van blinde communicatie, was het debat in de talkshow ‘Phara‘ gisterenavond. De gasten waren de Nederlandse schrijver, dichter en essayist Joost Zwagerman, en Jan Goossens, directeur van de Brusselse KVS.
Het debat was een schoolvoorbeeld van het wijdverbreide fenomeen der dovemansgesprekken. Overal ter wereld, elke dag opnieuw, praten mensen naast elkaar heen, de blik star op het eigen gelijk gericht. Vaak is het zelfs zo dat diegenen die er nochtans identiek dezelfde mening op nahouden, gretig met elkaar in de clinch gaan (zouden ze zich vervelen?). Wittgenstein schreef dit toe aan het – al dan niet bewust – verkeerd gebruiken van de taal, met alle communicatiestoornissen vandien.

(illustratie: Suzy Creamcheese)
Maar er is meer aan de hand. Zoals daar zijn: blindheid, vaak veroorzaakt door emoties of door de dwanggedachte zich aan een vooraf ingenomen (of toegewezen) positie te moeten vastklampen; kapersneigingen (het kapen van bonafide ideeën door malafide personen door het weglaten van context is van alle tijden); nuances – i.e. de kern – van andermans standpunten botweg negeren; en pure geldingsdrang als rotte kers op de taart.
Goed, waar ging het in dit debat over. Links intellectueel Joost Zwagerman heeft een raak pamflet geschreven, ‘Hitler in de polder & Vrij van god’, waarin hij de dubbele moraal van de Nederlandse elite laakt. Van Jan Goossens wordt soms gezegd dat hij zo’n man met een dubbele moraal is. In een niet zo ver verleden heeft hij Geert Van Istendael op de korrel genomen omdat hij in een column de onderdrukking van de sluier aangeklaagd had.
Samengevat komt het pamflet van Zwagerman hier op neer. Als Jan Mulders de homofobie onder conservatieve christenen aan de kaak stelt, dan is hij voor die elite een held. Als Ayaan Hirsi Ali de homofobie onder rabiate moslims bekritiseert, dan is zij voor diezelfde elite een onruststookster, ja zelfs een verlichtingsfundamentaliste en een gevaar voor de maatschappij. Joost Zwagerman noemt dit een hypocriete houding die de waarachtige godsdienstvrijheid in gevaar brengt.
Voor Phara vat Zwagerman het nog eens samen:
“Het valt me op dat er de laatste jaren in Nederland onder linkse intellectuelen en publicisten een blinde vlek is, nl de ‘Islamkritiek’. Er zijn nogal wat columnisten die stevig tekeer te gaan tegen het christendom, wat zeker moet kunnen, het is zelfs een traditie in Nederland. Maar diezelfde mensen die zichzelf de vrijheid toe-eigenen van leer te trekken tegen rigiditeiten binnen het christendom, heffen het vingertje zodra er vanuit de kringen van nieuwe Nederlanders met moslimachtergrond iemand opstaat die islamkritiek uit. Daar doet men meteen heel streng over, dat wil men eigenlijk liever niet horen. Sterker nog, vaak krijgt die persoon het etiket (extreem-) rechts, ja soms zelfs racistisch opgeplakt.
Dit is niet enkel een Nederlands fenomeen. Recent nam de Engelse schrijver Ian McEwan het op voor zijn collega Martin Amis, die het had gewaagd iets te zeggen over de wat minder liberale aspecten van de Islam. Amis kreeg daarvoor het etiket racist opgekleefd, en dat ging McEwan te ver. Het kon volgens McEwan niet dat iemand die religiekritiek uitoefent op de Islam, automatisch in die hoek geduwd wordt. En wat gebeurt er, McEwan – een schrijver van wereldformaat en de redelijkheid zelve – wordt prompt door moslimorganisaties beschuldigd van extreem rechts gedachtengoed”.
Duidelijk gesteld. Jan Goossens reageert (op wat precies, is me niet geheel duidelijk) (zie Wittgenstein):
“Ik ben het niet oneens met de basistelling van Joost Zwagerman en vind dat godsdienstvrijheid voor onze multiculturele samenleving inderdaad een essentieel goed is. Wat me wel een beetje stoort, zeker in de kritiek op de links progressieve intellectuelen, dat er een beetje sprake is van een omgekeerde politieke correctheid. Ik vind niet dat kritiek op die Islam vandaag niet kan, ik krijg integendeel de indruk dat intellectuelen (Benno Barnard, Geert Van Istendael) zich vandaag alleen nog maar hard kritisch tegenover de Islam mogen opstellen. Ik heb daar op zich geen probleem mee (…)”.
Goossens vindt dus dat er voor linkse intellectuelen die kritiek hebben op de Islam plaats genoeg is in de media. Goed, maar hier gaat het niet over. Zwagerman zegt niet dat intellectuelen geen forum krijgen (hij zegt ook niet dat ze te weinig aandacht krijgen, terwijl Goossens door zijn reactie suggereert dat Zwagerman dat bedoelt), Zwagerman zegt dat àls ze het woord nemen, ze na hun relaas meteen botweg in een bepaalde reactionaire hoek geduwd worden. Die stelling ontgaat Goossens, wat zijn reactie bewijst.
“Ik vind dat er wel weerwoord mag komen, maar ik kies er toch voor – met alle respect voor mensen als u – mij anders op te stellen tegenover de Islam. Dat wil zeggen: gezond kritisch waar nodig.”
Fijn, lekker vaag. Gezond kritisch waar nodig. Welke gemiddelde intellectueel is dat niet? En wat bedoelt Goossens dan met ‘zich anders opstellen tegenover de Islam’? Phara doet een poging en vraagt Goossens of die blinde vlek waar Zwagerman het over heeft, dan niet bestaat volgens hem.
“Ik vind van niet. Gewoon al het feit dat de standpunten van Joost Zwagerman, Benno Barnard en Geert Van Istendael ruim aandacht krijgen in de media, vind ik al een mooi bewijs van het feit dat hun ideeën aan bod mogen komen. Alleen behoud ik mij het recht toe om in mijn ogen op een pragmatischer en constructiever manier met de Islam om te gaan, en wie mij dat recht ontzegt vind ik dan toch een beetje een dwingeland”.
Opnieuw, hier heeft Zwagerman het niet over. Goossens tovert niets dan misleidende tegenargumenten uit zijn hoed. Zwagerman wil immers niemand het recht ontzeggen, integendeel, hij moedigt constructief omgaan met de Islam juist aan (ook een van de redenen waarom hij zijn pamflet heeft geschreven, politieke correctheid is immers verre van constructief).
Zwagerman doet nog een poging:
“Een gezonde kritiek op het Christendom is een ingesleten gewoonte. Als we nu één gebedshuis verder gaan, en bepaalde moskeeën in Vlaanderen en Nederland, waar iets minder libertaire Islam wordt gepredikt (waar bvb nogal na wordt gesproken over homoseksuelen), als we daar onze blik eens op richten, dat is dat meteen al ‘beladen’. Dat is al geen gezonde religiekritiek meer, dat wordt gezien als xenofobie. En ik wil zelfs nog een stap verder gaan, ik vind het zelfs de taak en de morele plicht van de linkse politieke vleugel om trouw te blijven aan twee punten: volksverheffing, gelijkheid van man en vrouw, en van mensen met homo/heteroseksuele achtergrond. Dat zijn van oudsher linkse idealen. Maar op het moment dat die worden gekoppeld aan nieuwe Nederlanders/Vlamingen met moslimachtergrond, dan wordt daar ineens heel krampachtig over gedaan, en wordt het – doordat links zijn handen er van af trekt – een onontgonnen gebied waar bijvoorbeeld in Nederland een Geert Wilders in zal springen, en in Vlaanderen het Vlaams Belang. En dat is de tragiek en de blinde vlek van links. Het zou zo prachtig zijn als links weer de echte oud sociaal-democratische idealen kan laten gelden, niet alleen voor de autochtone bevolking, maar ook voor de nieuwe allochtone bevolking”.
Verder wordt er even gebabbeld over de theatervoorstelling ‘Onze lieve vrouw van Vlaanderen’. Deze voorstelling liep een aantal weken in de KVS, en veroorzaakte commotie bij zowel christenen (de poster van de voorstelling toonde moeder Maria met ontblote borst) als bij enkele moslims (Maria had ook een getinte huidskleur).
Zwagerman: “Soorah Hera, een fotografe van Iraanse afkomst, heeft Iran moeten ontvluchten vanwege haar gedichten en foto’s. In Nederland terechtgekomen, dacht ze foto’s te kunnen tonen waarop ze op een artistieke manier laat zien uit wat voor land ze komt, een land waar je nog je mond moet houden en ondergronds moet gaan als je homoseksueel bent. Wat wil het geval, in Nederland worden haar foto’s gezien als een lont in een kruitvat. Dat is een belangrijk verschil met deze poster, die op geen enkel moment ‘een lont in een kruitvat’ werd genoemd (de protesten van de christenen waren dan ook heel braaf). Maar als het gaat om religiekritiek over de Islam, dan is dat ineens wel een kruitvat. Wel, dan moet je het niet over dat lont hebben, maar dan moet je eens gaan nadenken hoe het zover is gekomen in onze samenleving dat zo’n kruitvat er is, en hoe we dat kunnen ontmantelen”.
Interessant inzicht, waar Goossens niets anders tegen in te brengen heeft dan – opnieuw – een misplaatst en niet ter zake doend verwijt naar Zwagerman toe. Waar de laatste dan ook meteen op reageert, en waar Goossens o verrassing nog maar eens met de botte bijl op inhakt, waardoor we weer stilletjes weggeleid worden van de kern van de zaak.
Goossens: “Wat me opvalt, is dat er telkens weer in heel algemene termen en containerbegrippen wordt gesproken over de Islam”.
Zwagerman: “Dat hoort u mij niet zeggen, ik heb zojuist gezegd ‘bepaalde’ moskeeën waar wat minder libertaire Islam wordt gepredikt”.
Goossens: “Nee, maar wat ik wil zeggen, en waar het bij mij over gaat, is dat ik mijn praktijk van iedere dag in een Vlaamse schouwburg in Brussel waar vele tientallen procenten islamieten leven, alleen maar kan trachten mijn ogen te openen voor die moslims die op heel openhartige manier de dialoog met mij willen aangaan en die tot productieve samenwerking willen komen”.
Halleluja! Joost Zwagerman juicht dit alleen maar toe, meneer Goossens. Maar door dit zo ponerend te stellen, doet u alsof Zwagerman het tegenovergestelde beoogt. Wat ergens een beetje vals is. Meteen ook reden waarom ik hier als een gek het hele debat aan het uiteenrafelen ben. Het is namelijk niet erg netjes om je tegenstander op deze slinkse manier een onuitgesproken gedachtengoed in de mond te leggen, een gedachtengoed dat niet het zijne is. Nu, dat is helaas eigen aan de meeste debatten (zie Wittgenstein), en een goed redenaar weet dat dan ook gezwind te weerleggen, wat Zwagerman doet (al weet ie soms niet meer waar ie het heeft met die gekke Belg).
Zwagerman: “Maar dat is geweldig, en dat is gelijk toch zo algemeen dat niemand zou vallen over wat u zegt.”
Nu, zo gaat het nog even door, maar ik denk dat de pointe nu wel duidelijk is. De warme Brusselse frietjes in Jan Goossens’ oren hebben elke poging tot zinnig debatteren volledig naar de mayonaise geholpen. Jan Goossens is de incarnatie van de ‘rode kramp’, de man met de dubbele moraal, waar Zwagerman het over heeft in zijn pamflet. Helaas heeft de koene ridder dat zelf niet door en probeert hij via allerlei bochtenwerk toch maar die politiek-correcte Vlaming uit Brussel uit te hangen. Wat bij mij een onsamenhangende en soms zelfs verbazend holle indruk naliet.